Virussen

Een virus is een hoeveelheid erfelijk materiaal, normaliter omhuld door een zogenaamde eiwitenveloppe. Virussen hebben andere kenmerken dan bacteriën en andere levensvormen, omdat ze niet in staat zijn zich onafhankelijk voort te planten. Daarom plant een virus zich afhankelijk voort; een virus hecht zich aan een levende cel, waarna het DNA van die levende cel wordt geïnjecteerd met het erfelijk materiaal van het virus. Een virus kan niet alle levende cellen binnendringen, daarom heeft het virus een eiwitmantel die wordt gebruikt om geschikte gastheercellen te herkennen. Eenmaal in de gastheercel zet het virus (met RNA materiaal bijvoorbeeld) het DNA van de levende cel aan om zich te vermengvuldigen. Mogelijkerwijs leiden deze acties tot de dood van de gastheercel, dan niet tot ziekte of zelfs de dood van het betreffende meercellige organisme, waar de gastheercel deel van is. 

In bijen zijn al vele virussen aangetoond. Deze virussen zijn over het algemeen vrij klein. Ongeveer 10 nm. Dit is 10 keer één miljardste meter. Het genoom van deze virussen is ook relatief klein, zo rond de 10.000 base- paren. De virussen die we op dit moment kennen zijn:

  • Acute bee paralysis virus (ABPV)
  • Chronic bee paralysis virus (CBPV) 
  • Chronic bee paralysis sattelite virus (CBPV Sat) 
  • Israeli acute paralysis virus (IAPV) 
  • Black queen cell virus (BQCV)
  • Egyptian bee virus (EBV) 
  • Deformed wing virus (DWV) 
  • Sackbrood virus (SBV) 
  • Thailand sackbrood virus (TSBV) 
  • Kashmir bee virus (KBV) 
  • Kakugo virus (KV) 
  • Apis iridescent virus (AIV) 
  • Cloudy wing virus (CWV) 
  • Filamentoses virus (FV) 
  • Berekely bee virus (BBV) 
  • Arkensas bee virus (ABV) 
  • Slow paralysis virus (SPV) 
  • Bee virus x (BVX) 
  • Bee virus y (BVY)

De verspreiding van de bijenvirussen is voor de meeste soorten wereldwijd. Voor enkele soorten geldt dat ze alleen in bepaalde delen van de wereld aangetoond zijn. (bv ABV, BBV, TSBV). Virussen zelf zijn niet mobiel. Ze zijn afhankelijk van verspreiding door de gastheer of van een andere vektor. Virussen zijn aangetoond in de honing, het stuifmeel, in bijenbrood, in sperma, in uitwerpselen en in vers gelegde eitjes. Hierdoor kunnen ze gemakkelijk worden overgedragen. Verspreiding van virussen door trophallaxis, door het poetsgedrag, door het geven van voedersap en door lichamelijk contact is reeds aangetoond voor bepaalde virussen. Verder is ook de Varroamijt een vektor voor het overdragen van virussen. Aangetoond is dat Varroa destructor het KBV op gezond broed kan overdragen.

Virusinfecties kunnen gevolgen hebben voor een bijenvolk. Zo presteren geïnfecteerde volken minder als het gaat om het halen van honing en stuifmeel. SBV kan broeduitval veroorzaken, de bijen die met SBV besmet zijn ontwikkelen zich sneller, leven korter, nemen minder voedsel tot zich dan gezonde bijen. Bijen die met APV besmet zijn hebben oriënteringsproblemen, leven korter, vervliegen meer en roven meer. Kortere levensduur is vaker gevolg van een virusinfectie. Ook het BQCV en het DWV verkorten het leven van een bij sterk. 

Voor virusinfecties geldt ook weer dat voorkomen belangrijker is als genezen. Effectieve behandelingen zijn logischerwijs niet voorhanden om virusinfecties niet of nauwelijks als oorzaken van sterfte worden herkent. Van belang is hier wel het bestrijden van vektoren zoals Varroa destructor.