|
|
Virussen |
Virussen zijn strikt genomen geen organismen, omdat ze niet aan bepaalde cruciale kenmerken van een levend organisme voldoen. Organismen uit de vier rijken (dieren, planten, schimmels en bacteriën) kunnen zich voortplanten door vorming van geslachtscellen of door deling. Dit kunnen virussen niet. In de taxonomie zijn virussen dus geen apart rijk en ze behoren ook niet tot een van de andere rijken. Een virus is niet meer dan een stukje erfelijk materiaal verpakt in één of meerdere eiwitten. Een virus is (of bevat) geen cel met enzymen die voor de levende groei en vermenigvuldiging zorgen. Voor vermenigvuldiging is een virus volledig afhankelijk van een gastheercel. De virus dringt de gastheercel binnen en dwingt deze nieuwe virusdeeltjes te produceren, wat uiteindelijk leidt tot de dood van de gastheercel. Vanuit deze optiek gezien is een virus de ultieme parasiet, namelijk een celparasiet. Afhankelijk van de manier waarop een virus erfelijk materiaal overdraagt worden de soorten virussen onderverdeeld in een van de volgende drie groepen: - DNA-virussen; - Reverse transcriptase virussen; - RNA-virussen. |
|
|
|
Kenmerken |
| Een virus is een hoeveelheid erfelijk materiaal, normaliter omhuld door een zogenaamde eiwitenveloppe. Virussen hebben andere kenmerken dan bacteriën en andere levensvormen, omdat ze niet in staat zijn zich onafhankelijk voort te planten. Daarom plant een virus zich afhankelijk voort; een virus hecht zich aan een levende cel, waarna het DNA van die levende cel wordt geïnjecteerd met het erfelijk materiaal van het virus. Een virus kan niet alle levende cellen binnendringen, daarom heeft het virus een eiwitmantel die wordt gebruikt om geschikte gastheercellen te herkennen. Eenmaal in de gastheercel zet het virus (met RNA materiaal bijvoorbeeld) het DNA van de levende cel aan om zich te vermengvuldigen. Mogelijkerwijs leiden deze acties tot de dood van de gastheercel, dan niet tot ziekte of zelfs de dood van het betreffende meercellige organisme, waar de gastheercel deel van is. |
| |
| Hoewel de parasitaire kenmerken van virussen een negatieve wending hebben op organismen, zijn er ook gevallen bekend waar een virus nuttige genen inbracht in een bacterie. Er bestaan ook zogenaamde satellietvirussen, die door de geringe genoomgrootte volledig afhankelijk zijn van andere virussen voordat vermengvuldiging plaats kan vinden. |
| |
|
Onderdelen van een virus |
Een virus bestaat uit de volgende onderdelen (van buiten naar binnen): Een enveloppe (alleen bij dierlijke virussen voorkomend): dit een soort toegevoegde buitenwand, op een dergelijke manier opgebouwd dat bepaalde dierlijke cellen deze wand kunnen lezen (analyseren met behulp van receptoren, bindingseiwitten op het celmembraam van een dierlijke cel); Een eiwitmantel (ook wel capside genoemd): dit is de buitenwand van het virus en beschermt het virus tegen vernietiging door antistoffen (cellen die de wand van een virus herkennen met hun specifieke receptoren, namelijk de B- en T-lymfocyten); Het nucleïne zuur: het erfelijk materiaal van het virus, waaronder het DNA en RNA wordt verstaan. |
|
| Voorbeeld van een virus |
| |
| Virussen zijn moeilijk te bestrijden, omdat ze steeds van vorm veranderen. Antibiotica, geneesmiddelen gebruikt tegen bacterieinfecties, werken niet tegen virusinfecties. Er worden soms nog wel antibiotica voorgeschreven mocht iemand een virusinfectie hebben, omdat wellicht voorkomen moet worden dat door de virusinfectie een bacterie-infectie optreedt. Dat kan worden voorgesteld als ingewikkelde strijd tussen virussen en bacteriën, die op het menselijk lichaam een negatieve uitwerking kan hebben. Ofwel: mensen worden ook ziek van de bacterie-infectie die kan optreden. Een virus kan zich alleen vermeerderen als het zich in een plantaardige- of dierlijke (menselijke) cel bevind. |
| |
|
De betekenis van virussen voor bijen |
| In bijen zijn al vele virussen aangetoond. Deze virussen zijn over het algemeen vrij klein. Ongeveer 10 nm. Dit is 10 keer één miljardste meter. Het genoom van deze virussen is ook relatief klein, zo rond de 10.000 base- paren. De virussen die we op dit moment kennen zijn: |
| Acute bee paralysis virus (ABPV) |
| Chronic bee paralysis virus (CBPV) |
| Chronic bee paralysis sattelite virus (CBPV Sat) |
| Israeli acute paralysis virus (IAPV) Levert mogelijk een bijdrage aan CCD in Amerika |
| Black queen cell virus (BQCV) |
| Egyptian bee virus (EBV) |
| Deformed wing virus (DWV) |
| Sackbrood virus (SBV) |
| Thailand sackbrood virus (TSBV) |
| Kashmir bee virus (KBV) |
| Kakugo virus (KV) |
| Apis iridescent virus (AIV) |
| Cloudy wing virus (CWV) |
| Filamentoses virus (FV) |
| Berekely bee virus (BBV) |
| Arkensas bee virus (ABV) |
| Slow paralysis virus (SPV) |
| Bee virus x (BVX) |
| Bee virus y (BVY) |
| |
|
Verspreiding van virussen |
| De verspreiding van de bijenvirussen is voor de meeste soorten wereldwijd. Voor enkele soorten geldt dat ze alleen in bepaalde delen van de wereld aangetoond zijn. (bv ABV, BBV, TSBV). Virussen zelf zijn niet mobiel. Ze zijn afhankelijk van verspreiding door de gastheer of van een andere vektor. Virussen zijn aangetoond in de honing, het stuifmeel, in bijenbrood, in sperma, in uitwerpselen en in vers gelegde eitjes. Hierdoor kunnen ze gemakkelijk worden overgedragen. Verspreiding van virussen door trophallaxis, door het poetsgedrag, door het geven van voedersap en door lichamelijk contact is reeds aangetoond voor bepaalde virussen. Verder is ook de Varroamijt een vektor voor het overdragen van virussen. Aangetoond is dat Varroa destructor het KBV op gezond broed kan overdragen. |
| |
|
Gevolgen voor het bijenvolk |
| Virusinfecties kunnen gevolgen hebben voor een bijenvolk. Zo presteren geïnfecteerde volken minder als het gaat om het halen van honing en stuifmeel. SBV kan broeduitval veroorzaken, de bijen die met SBV besmet zijn ontwikkelen zich sneller, leven korter, nemen minder voedsel tot zich dan gezonde bijen. Bijen die met APV besmet zijn hebben oriënteringsproblemen, leven korter, vervliegen meer en roven meer. Kortere levensduur is vaker gevolg van een virusinfectie. Ook het BQCV en het DWV verkorten het leven van een bij sterk. |
| |
|
Bescherming tegen virussen |
| Een bijenvolk is voor virussen een ideale voedingsbodem. Het gehele jaar zorgen de bijen voor een prettig klimaat in de kast. Voedsel en vocht is in overvloed aanwezig en er bevinden zich vele individuen op een zeer klein gebied. Bijen hebben diverse beschermingsmiddelen tot hun beschikking, die helpen bij het voorkomen van een infectie: |
| - Fysieke barrières zoals het chitinepantser en de darmwand beschermen de bij tegen indringers |
| - Humorale en cellulaire reacties spelen een rol in de verdediging tegen virussen |
| - Propolis, heeft antivirale eigenschappen |
| - Gedragsaanpassingen zoals het volk eerder verlaten en sterker vervliegen. |
| Deze middelen werken zo goed dat bijenvolken zelf over bepaalde virusinfecties heen komen. |
| |
|
Herkenning |
| Virusinfecties kunnen verschillende kenmerken vertonen. |
| - De verhouding van bijen en broed is uit balans |
| - Oriënteringsproblemen bij de bijen en het sterker vervliegen |
| - Krabbelaars voor de kast kunnen een teken zijn van een virusinfectie. |
| - Haarverlies |
| - Zwartkleuring van de bijen |
| - Broeduitval |
| |
| Deze tekenen kunnen reden zijn om nader onderzoek naar het volk te doen. Het stellen van een diagnose over virussen is buiten het lab vrijwel onmogelijk. Sommige soorten zijn echter vanwege hun duidelijke klinische kenmerken goed herkenbaar (bv SBV en DWV). Veelal moet de determinatie van de ziektekiem door middel van moleculaire genetische technieken worden gedaan of bevestigd. |
| |
|
Maatregelen |
| Voor virusinfecties geldt ook weer dat voorkomen belangrijker is als genezen. Effectieve behandelingen zijn logischerwijs niet voorhanden om virusinfecties niet of nauwelijks als oorzaken van sterfte worden herkent. Van belang is hier wel het bestrijden van vektoren zoals Varroa destructor. |
| |
| |
| |
| |
|