| Sitemap |   
De honingbij, Apis mellifera De honingbij, Apis mellifera
Bijengezondheid Bijengezondheid
Parasitologie Parasitologie
Bijenziekten Bijenziekten
Toekomstige bedreigingen Toekomstige bedreigingen

Parasitologie

 
Vaak is ziekte een gevolg van een infectie met lichaamsvreemd materiaal. De griep bijvoorbeeld krijgen we als we een infectie met het influenzavirus oplopen. Mensen worden niet meteen ziek, maar pas na enige tijd. De tijd die verstrijkt van het moment van infectie tot iemand ziek wordt, noemen we de incubatietijd. Bij de griep is dit ongeveer drie dagen. Het virus is in dit geval de ziektekiem. Een ziektekiem hoeft niet per se een ander organisme te zijn. Giffen zoals zwaren metalen kunnen ook tot ziekte leiden, net zoals mutaties in het genetisch materiaal of erfelijke afwijkingen. Het woord ziektekiem slaat echter meestal op een ander organisme of parasiet.     
Parasieten zijn organismen die leven ten koste van een gastheer. Letterlijk betekent parasiet 'dicht bij voedsel'. In principe is het onverstandig van een parasiet om zijn gastheer te doden aangezien deze nodig is om te leven en om voort te planten. We zien daarom verschillende vormen van samenleven in de natuur. Wanneer organismen een bepaalde manier van samenleven hebben ontwikkeld, praten we over symbiose. We kennen de volgende vormen:  
Commensalisme:  Een samenlevingsvorm van twee soorten waarbij één organisme voordeel heeft en de ander niet. Bijvoorbeeld de bijenluis of zuigvissen op de buik van een haai.        
Mutualisme:  Een samenlevingsvorm van twee soorten waarbij beide soorten voordeel hebben. Bijvoorbeeld korstmossen. Dit is een samenlevings vorm van een groenwier en een schimmel waarbij de één zorgt voor de voedingsstoffen (via foto- synthese), en de ander voor de opname van water en spore-elementen.  
Parasitisme:  Een samenlevingsvorm van twee soorten waarbij een soort zich voedt ten koste van de ander (de gastheer) zonder deze te vernietigen. Bijvoorbeeld Varroa bij Apis cerana. Vaak is het zo dat een parasiet gastheer specifiek is. Dat wil zeggen dat de parasiet slechts voorkomt bij één dier- of plantensoort. Wanneer er twee of meer parasieten bij één gastheer worden gevonden, spreken we van multiparasitisme.
 
Over het algemeen wordt aangenomen dat parasieten zich hebben ontwikkeld vanuit vrij levende vormen. Zo zouden darmparasieten kunnen zijn ontstaan doordat het ze gelukt is om na opname in de darm te overleven en zich aan te passen aan de omstandigheden. Eenmaal aangepast zouden ze eigenschappen hebben kunnen ontwikkelen die het mogelijk maakte naar ander plaatsen in het lichaam te gaan.  
 

Microparasieten en macroparasieten

Microparasieten zijn zeer klein (soms maar enkele micrometers = een paar duizendste milimeter). Ze zijn voor de overdracht van de ene gastheer naar de andere aangewezen op diverse methoden. 
1. Directe overdracht. Bijvoorbeeld via geslachtsgemeenschap.  
2. Via duurstadia zoals cysten en sporen. Dit zijn vormen van de parasiet die bestand zijn tegen bijvoorbeeld hitte en droogte en daardoor lange perioden van minder gunstige omstandigheden kunnen overbruggen. Sporen van Paenibacillus larvae, de veroorzaker van Amerikaans vuilbroed, kunnen zo tientallen jaren overbruggen. 
3. Indirecte overdracht via een vector. Bijvoorbeeld het overdragen van bepaalde virussen op bijen via de Varroamijt.  
Voorbeelden van microparsieten zijn: 
                              - Virussen, bijvoorbeeld influenza bij mensen of deformed wing virus bij bijen 
                              - Bacteriën, bijvoorbeeld Melissococcus pluton de veroorzaker van Europees vuilbroed 
                              - Protozoa, eencellige organismen zoals de amoebe die de amoebeziekte veroorzaakt.
                              - Schimmels, zoals Ascospaera Apis de veroorzaker van Kalkbroed
 
Macroparasieten zijn groter maar nog steeds vrij klein. Voor de overdracht zijn ze aangewezen op directe en indirecte overdracht. Voorbeelden:

                               - Platwormen, bijv van de klasse Trematoda 

                               - Rondwormen (nematoda)
                               - Luizen en vlooien
                               - Mijten 
                                
                 
 Trematoda                                                Rondworm                                       Vlooi
 

Afweer

Bij de mens zijn er vele mechanismen die voorkomen dat parasieten het lichaam kunnen binnendringen. Dit afweersysteem begint met fysieke barrières zoals de huid en sllijmvliezen. (chitinepantser bij insecten). Komt een ziektekiem hier toch voorbij dan kan ze door het lichaam worden herkend en kan er op celniveau actie worden ondernomen door bijvoorbeeld witte bloedcellen. Deze eten als het ware de lichaamsvreemde deeltjes op (fagocytose). Ook kunnen er enzymen aangemaakt worden die bijdragen aan het bestrijden van de indringer. Het imuunsysteem bij de mens is zeer complex en uitgebreid. Ook de honingbij heeft een complex afweer-systeem. Hierover wordt op de site op diverse plekken informatie gegeven. 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Home Contact Advies Training Coaching